Rond 1990 kwam Christelijke Lagere Landbouwschool waarin het baksteenkunstwerk zich bevond, leeg te staan en verpauperde. Na vele jaren van leegstand en verval is in 2011 de locatie afgebroken. In eerste instantie was er geen aandacht voor het kunstwerk. De gevel met het baksteenkunstwerk ging schuil achter struiken waardoor het niet meer goed zichtbaar was. Gelukkig werd de kunsthistorische waarde ervan bij de sloop van het gebouw goed ingeschat en bleef het behouden. Het baksteenkunstwerk is losgemaakt en naar de gemeentewerf in Franeker getransporteerd. Onlangs is het naar het Landbouwmuseum vervoerd waar het een permanente plek krijgt.
Het baksteenmozaïek bestaat uit een gemetseld buitenspouwblad van een spouwmuur. De opbouw is samengesteld uit figuratieve voorstellingen van aantal landbouwhuisdieren: lam, varken, koe, schaap en een paard tegen een achtergrond in diverse kleuren. Boven de dieren zijn wolkenpartijen gemaakt. Het metselwerk is volledig vlak gecreëerd (geen reliëf). De afmetingen van het object zijn circa zes meter lengte en circa twee meter hoog.
Kunstenaar
Nina Baanders-Kessler is op 28 februari 1915 geboren in Leeuwarden als Antje Kessler, als dochter van slager Jacob Kessler en Elizabeth Anne Bijl. Ze ging naar de gemeentelijke HBS voor meisjes in Leeuwarden en van 1934 tot 1938 volgde ze de opleiding aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. In 1936 deed ze een studiereis van zes weken in Wenen, verbleef in 1937 twee maanden in Parijs en vestigde daarna in Leeuwarden, waar ze een eigen atelier had aan de Eebuurt. Ze werd in die jaren omschreven als een dappere en bevlogen jongedame die het beeldhouwen in Friesland als eerste en enige oppakte. In juli 1942 trouwde ze met Ambrosius Baanders, kreeg vier kinderen en verhuisde in 1947 naar Vinkeveen. Ze overleed op 20 juni 2002.
Baanders vervaardigde in Friesland onder andere een wapensteen voor het raadhuis in Koudum (1941), een wapensteen op de Wirdumerpoortsbrug in Leeuwarden (1941), de plaquette van Theo van Welderen Rengers in Oentsjerk (1947) en een verzetsmonument (vrouwenfiguur) in Makkum (1952).