Van proef naar dagelijkse praktijk
Met WUR en andere kennisinstellingen voert Dairy Campus proeven uit voor bedrijven en overheden. Onderzoekers meten voeropname, melkproductie, gedrag en uitstoot. De volgende stap is aantonen wat ook langdurig en op verschillende melkveebedrijven werkt, tegen welke kosten en met welke neveneffecten. Daarbij telt hoe maatregelen samen uitpakken. Brede toepassing vraagt ook om bruikbare hulpmiddelen, passende regelgeving, financiering, marktwaardering en bereidheid van ondernemers. Vier voorbeelden laten zien wat kansrijk is en waar verder onderzoek nodig blijft.
1. Een toilet voor koeien?
Het CowToilet van Hanskamp vangt urine op voordat deze op de stalvloer terechtkomt. De koe bezoekt daarvoor vrijwillig een krachtvoerstation, waar haar natuurlijke plasreflex voorzichtig wordt gestimuleerd. De urine wordt direct onder de staart opgevangen en apart opgeslagen. Zo blijven mest en urine zoveel mogelijk van elkaar gescheiden en kan er minder ammoniak ontstaan.
Op Dairy Campus is het CowToilet een jaar lang onderzocht bij zestien melkkoeien. Gemiddeld ving het systeem ruim 10 liter urine per koe per dag op: ongeveer 35 procent van het totaal. De ammoniakuitstoot daalde, zonder dat negatieve effecten op gedrag of welzijn werden gevonden. Het systeem is inmiddels erkend met een emissiefactor van 6 kg ammoniak per dierplaats per jaar. Kosten en regelgeving rond het gebruik van de opgevangen urine blijven aandachtspunten.
2. Wat er niet in gaat, komt er ook niet uit
Eiwit is belangrijk voor de gezondheid van een koe en voor de productie van melk. Maar eiwit bevat ook stikstof. Wat de koe niet gebruikt, verlaat haar lichaam via mest en urine en kan uiteindelijk als ammoniak in de lucht terechtkomen. Daarom geldt: wat er niet in gaat, komt er ook niet uit.
In het project Koe en Eiwit gingen 155 melkveehouders hiermee in de praktijk aan de slag. Zij voerden gemiddeld 10 gram minder ruw eiwit per kilo droge stof, goed voor bijna 10 procent minder berekende ammoniakuitstoot. Melkproductie en diergezondheid bleven op peil. Op Dairy Campus onderzochten wetenschappers langdurig hoe ver je verantwoord kunt gaan. Een gematigde verlaging bleek mogelijk zonder duidelijk verlies van voeropname of melkproductie. Bij een zeer laag eiwitniveau aten de koeien echter minder en gaven ze ook minder melk. Minder eiwit voeren werkt dus, zolang de juiste balans wordt bewaakt.
3. Kruiden voor BioDiverse Melk
Wat gebeurt er als koeien naast gras ook kruiden zoals cichorei en smalle weegbree eten? In het project BioDiverse Melk onderzochten Hogeschool Van Hall Larenstein, WUR en andere partners op Dairy Campus wat dit betekent voor koe, uitstoot en melk. De koeien bleken de verse kruiden graag te eten. In de gecontroleerde proeven bleef de melkproductie ongeveer gelijk, terwijl de methaanuitstoot afnam en de melksamenstelling veranderde. Kruiden verrijken bovendien het grasland en kunnen met hun bloemen insecten aantrekken.
Agroforestry breidt dit groene menu verder uit met bomen en struiken. Op Dairy Campus is daarvoor een 210 meter lange voederhaag met zeven boomsoorten aangeplant. Onderzoekers bekijken welke bladeren de koeien het lekkerst vinden en wat de haag betekent voor de biodiversiteit en het werk van de boer. Op warme dagen kunnen de bomen ook schaduw bieden en zo hittestress bij koeien helpen verminderen.
4. EVA: Stap binnen in de stal van de toekomst
Dairy Campus werkt aan de EVA-stal, de EmissieVrije en Autonome stal. De interactieve tekening toont de ambitie: een nieuw systeem waarin dierenwelzijn, emissiereductie, automatisering en onderzoek samenkomen.
Mest en urine moeten zo snel mogelijk worden gescheiden; slimme ventilatie moet emissies bij de bron beperken. Robots ondersteunen voeren, melken en schoonmaken, terwijl sensoren gezondheid en gedrag volgen. Koeien moeten vrij kunnen lopen, eten, drinken, rusten, herkauwen en contact zoeken, met zachte, droge ligplekken en een prettig stalklimaat. Een centrale skybox biedt onderzoekers en bezoekers zicht op de stal.
Dit onderzoeksontwerp is nog geen bewezen oplossing. Pas na de bouw en metingen blijkt welke doelen worden gehaald, wat betaalbaar is en waar aanpassingen nodig zijn. Kosten, toepasbaarheid, regelgeving en neveneffecten blijven ook bij andere innovaties aandachtspunten.